Bijzondere regeling bij overbrenging van “niet-essentiële onderdelen” naar andere lidstaten van de EU
- Wat zijn “niet-essentiële onderdelen”?
- Welke bijzondere regels zijn van toepassing op de overbrenging van “niet-essentiële onderdelen” naar andere EU-lidstaten?
- Wie bepaalt of bepaalde onderdelen al dan niet “niet-essentiële onderdelen” zijn?
- Zijn er ook bijzondere regels omtrent “niet-essentiële onderdelen” bij uit- en doorvoer of bij invoer en overbrenging naar het Vlaamse Gewest?
Wat zijn “niet-essentiële onderdelen”?
Wat bedoeld wordt met “niet-essentiële onderdelen” wordt gedefinieerd in het Wapenhandelbesluit.
“Niet-essentiële onderdelen” zijn onderdelen, vermeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, waarvan de aard en betekenis in relatie tot de defensiegerelateerde producten waarin ze geïntegreerd zullen worden, beperkt zijn.
De zinsnede “vermeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen” is erg belangrijk.
Ten eerste is dit zo omdat de regeling uitsluitend betrekking heeft op onderdelen die als dusdanig in de gemeenschappelijke EU-lijst vermeld worden. De regeling is dus niet van toepassing om met naam genoemde defensiegerelateerde producten in de gemeenschappelijke EU-lijst die geïntegreerd worden in een ander met naam genoemd defensiegerelateerde product. Zo wordt bijvoorbeeld “geschutrichtapparatuur” (ML5a) binnen het kader van deze regeling niet beschouwd als een onderdeel van een “tank” (ML6a), ook al wordt het er in geïntegreerd.
Ten tweede kwalificeert de gemeenschappelijke EU-lijst in elke categorie de onderdelen die geviseerd worden. Zo verwijst categorie ML5 naar “speciaal ontworpen onderdelen”, terwijl categorie ML7 enkel spreekt over “onderdelen”.
Voor de invulling van de zinsnede “waarvan de aard en betekenis in relatie tot de defensiegerelateerde producten waarin ze geïntegreerd zullen worden, beperkt zijn” heeft de dienst Controle Strategische Goederen een interpretatierichtlijn opgesteld.
Deze interpretatierichtlijn wordt toegepast door de technische experts van de dienst.
In eerste instantie kijken zij naar het belang van het onderdeel in waarde en/of hoeveelheid ten opzichte van het defensiegerelateerde product in zijn geheel. Als dat 50% of meer is, kan het onderdeel in geen enkel geval als “niet essentieel” beschouwd worden.
Als dat belang in waarde en/of hoeveelheid minder is dan 50% kijken zij naar de bijdrage van het onderdeel tot de minimale werking van het defensiegerelateerde product. Als die bijdrage cruciaal is, kan het onderdeel in geen enkel geval als “niet essentieel” beschouwd worden.
Als die bijdrage niet cruciaal is kijken de technische experts tenslotte naar de rol van het onderdeel in de specifieke militaire functionaliteit van het defensiegerelateerde product. Als het onderdeel “essentieel functionele eigenschappen” heeft die noodzakelijk zijn voor de specifieke militaire functionaliteit van het defensiegerelateerde product, kan het onderdeel in geen enkel geval als “niet essentieel” beschouwd worden. Met “essentieel functionele eigenschappen” wordt bedoeld materiaal-, dimensie- of performantie-eigenschappen die onvervangbaar bijdragen tot de status “speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik” en dus onmisbaar het militaire ontwerpvereiste meebepalen van het defensiegerelateerde product waarin het geïntegreerd wordt.
De eigenlijke interpretatierichtlijn vindt u op deze pagina in de kolom “Documenten”.
Welke bijzondere regels zijn van toepassing op de overbrenging van “niet-essentiële onderdelen” naar andere EU-lidstaten?
Er zijn geen bijzondere regels over de vergunningsplicht van “niet-essentiële onderdelen”. De overbrenging van niet-essentiële onderdelen heeft dus evengoed een vergunning nodig als afgewerkte defensiegerelateerde producten en als essentiële onderdelen.
De bijzondere regeling heeft wel te maken met de mogelijkheid en draagwijdte van uitvoerbeperkingen die worden opgelegd bij de overbrenging van onderdelen.
Overbrenging van onderdelen op basis van een globale of een individuele vergunning
Als de minister bij een aanvraag voor de overbrenging van onderdelen, vermeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, beperkingen op het eindgebruik van de goederen of op uitvoer na overbrenging, moet hij rekening houden met de “gevoeligheid van de overbrenging”.
Een overbrenging is niet-gevoelig als het gaat over “niet-essentiële onderdelen” en als de aard van die “niet-essentiële onderdelen” in relatie tot het eventuele eindgebruik van de producten waarin ze geïntegreerd zullen worden, geen aanleiding tot bezorgdheid zou kunnen geven op basis van de criteria die gelden bij uit- en doorvoer (bijv. mogelijk gebruik voor mensenrechtenschendingen).
Als er dan sprake is van dergelijke “niet-gevoelige overbrenging” en de aanvrager van de vergunning bij zijn aanvraag een verklaring van de bestemmeling voegt dat de betreffende onderdelen zullen worden geïntegreerd in zijn eigen product en, behalve voor onderhoud of herstelling, niet als zodanig kunnen worden overgebracht of uitgevoerd, kan de minister geen beperkingen op het eindgebruik van de goederen of op uitvoer na overbrenging opleggen.
Op deze regel is er één uitzondering, met name voor “niet-essentiële onderdelen” van “gevoelige goederen”. Dit betekent dat de minister ongeacht de al dan niet gevoeligheid van de overbrenging aan een overbrenging van “niet-essentiële onderdelen” van “gevoelige goederen” te allen tijde beperkingen op het eindgebruik van de goederen of op uitvoer na overbrenging kan verbinden. Over welke defensiegerelateerde producten als “gevoelige goederen” beschouwd worden vindt u meer in de algemene sectie “Defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal en ordehandhavingsmateriaal” .
Overbrenging van onderdelen op basis van een algemene vergunning
In principe mogen algemene vergunningen niet gebruikt worden voor de definitieve overbrenging van defensiegerelateerde producten als het op het moment van de voorgenomen overbrenging vaststaat dat het eindgebruik van de producten zich zal afspelen buiten de Europese Unie en de eindgebruiker buiten de Europese Unie op dat moment bekend is. Deze beperking is evengoed van toepassing op onderdelen, vermeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, als op afgewerkte defensiegerelateerde producten en essentiële onderdelen.
Er is echter een uitzondering voorzien voor de overbrenging van “niet-essentiële onderdelen” die de bestemmeling volledig zal integreren in zijn eigen product. Dit betekent dus dat de algemene vergunningen dus toch mogen gebruikt worden voor de overbrenging met verdere uitvoer van “niet-essentiële onderdelen” als de gebruiker een schriftelijke verklaring van de bestemmeling kan voorleggen waarin die verklaart dat de betreffende onderdelen geïntegreerd zullen worden in zijn eigen product.
Op deze regel geldt wel dezelfde uitzondering voor “niet-essentiële onderdelen” van “gevoelige goederen” (zie hierboven).
Wie bepaalt of bepaalde onderdelen al dan niet “niet-essentiële onderdelen” zijn?
Het oordeel of de onderdelen, vermeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, die een bepaalde persoon wilt overbrengen naar een andere lidstaat van de EU al dan niet “niet-essentiële onderdelen” zijn, komt uitsluitend toe aan de dienst Controle Strategische Goederen”.
Als u dus meent dat de onderdelen, vermeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, die u wilt overbrengen naar een andere lidstaat van de EU “niet-essentiële onderdelen” zijn moet u aan de dienst Controle Strategische Goederen vragen om dit te bevestigen.
Als u onderdelen, vermeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, wilt overbrengen op basis van een globale of een individuele vergunning doet u dit in het kader van uw vergunningsaanvraag. U moet dan in uw aanvraag motiveren waarom u van mening bent dat het om niet-essentiële onderdelen gaat en de documenten voegen die dat aantonen.
Als u onderdelen, vermeld in de gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen, wilt overbrengen op basis van een algemene vergunning doet u dit in het kader van uw registratie voor het gebruik van de algemene vergunning.
In u motivering moet uiteraard gebruik maken van de richtsnoeren in de voormelde interpretatierichtlijn, die u op deze pagina in de kolom “Documenten” kan vinden.
De dienst Controle Strategische Goederen toetst de voorgelegde motivering en documenten vervolgens aan de interpretatierichtlijn en oordeelt finaal of de betreffende onderdelen daadwerkelijk “niet-essentiële onderdelen” zijn.
Zijn er ook bijzondere regels omtrent “niet-essentiële onderdelen” bij uit- en doorvoer of bij invoer en overbrenging naar het Vlaamse Gewest?
Neen. De betreffende regeling volgt uitdrukkelijk uit de Europese richtlijn 2009/43/EG over de intrauniale overbrenging van defensiegerelateerde producten en werd niet doorgetrokken naar uit- en doorvoer, noch naar invoer en overbrenging naar het Vlaamse Gewest.